| |
|
|
| |
De larven van de Gaasvlieg
De eitjes van de gaasvlieg worden door de moeder afgezet tussen bladluizenkolonies, het zijn bolletjes op lange steeltjes. Dit is om de mieren op afstand te houden, die graag de de dauw van de luizen opzuigen en de luizen beschermen. Als de eitjes niet op stokjes staan worden ze aangevallen door de mieren.
De larve is plat, het lijkt een beetje op een kleine rups en de larve heeft een bruine ietwat onregelmatige kleur, drie paar kleine pootjes en lange kaken die op een tang lijken. De Groene Gaasvliegenlarven camoufleren zich met stukjes plant of dode luizen om zo aan de aandacht van mieren te ontsnappen. De larve van de gaasvlieg lijkt wat uiterlijk betreft een beetje op de larve van een lieveheersbeestje maar de larve van de gaasvlieg is echter duidelijk te herkennen aan de twee grote forse sikkelvormige kaken die duidelijk zichtbaar naar voren zijn gericht. Ze zijn ook een stuk minder fors gebouwd. De larven van de gaasvliegen doorlopen drie larvale stadia. Aan het einde van het laatste larve stadium zoeken ze hun toevlucht in een groef van de schors, in een opgevouwen blad of soms wel eens in de bodem om te verpoppen in een gesponnen cocon. De meeste larven brengen de winter door in deze cocon en verpoppen het volgende jaar, met uitzondering van Chrysoperla carnea die als volwassen insect overwintert.
De larve is plat, het lijkt een beetje op een kleine rups en de larve heeft een bruine ietwat onregelmatige kleur, drie paar kleine pootjes en lange kaken die op een tang lijken. De Groene Gaasvliegenlarven camoufleren zich met stukjes plant of dode luizen om zo aan de aandacht van mieren te ontsnappen. De larve van de gaasvlieg lijkt wat uiterlijk betreft een beetje op de larve van een lieveheersbeestje maar de larve van de gaasvlieg is echter duidelijk te herkennen aan de twee grote forse sikkelvormige kaken die duidelijk zichtbaar naar voren zijn gericht. Ze zijn ook een stuk minder fors gebouwd. De larven van de gaasvliegen doorlopen drie larvale stadia. Aan het einde van het laatste larve stadium zoeken ze hun toevlucht in een groef van de schors, in een opgevouwen blad of soms wel eens in de bodem om te verpoppen in een gesponnen cocon. De meeste larven brengen de winter door in deze cocon en verpoppen het volgende jaar, met uitzondering van Chrysoperla carnea die als volwassen insect overwintert.
|
|
| |
|
|
|
|